Drie uitgangspunten voor effectief woordenschatonderwijs


Een schoolteam was ontevreden over de resultaten van hun woordenschat onderwijs. Er werd veel tijd in gestoken. Iedere week werd een nieuwe set van vijf tot tien woorden aangeboden. Echter, de leerlingen vergaten de betekenissen van de woorden na een tijdje meestal weer. Dit moest anders en ze gingen hun onderwijs aanpassen.

De school wilde het woordenschatonderwijs koppelen aan de zaakvakken en dan per hoofdstuk of thema woorden selecteren die de kinderen niet kenden, maar die wel nodig zijn om een tekst te kunnen begrijpen. Waar moesten ze verder rekening mee houden?

Ik heb de school drie uitgangspunten meegegeven die ze als basis kunnen nemen om hun woordenschatonderwijs aan te passen.

1. Niet alle woorden en hun betekenissen zijn even makkelijk te onthouden.

Sommige woorden gebruik je iedere dag en die slijten makkelijk in omdat je ze vaak gebruikt. Andere woorden gebruik je amper en die onthoud je niet zo makkelijk.

Het is belangrijk, bij woorden die je niet zo vaak gebruikt, om deze expliciet aan te leren tijdens een woordenschatles. Als je deze woorden regelmatig terug laat komen zullen ook deze geleidelijk aangeleerd worden door de leerlingen.

In een groep 6 zag ik laatst woorden hangen als wemelen, evident en fluks. Deze woorden die we amper meer gebruiken moet je de kinderen vaak laten gebruiken om ze in te slijten. Zeker een keer of negen.

 

2. Je kunt woorden vaak niet los zien van hun context.

Sommige woorden hebben meerdere betekenissen. Die betekenis hangt af van de tekst die je leest of de context waarin je erover spreekt. Dat betekent dat het aanleren van één betekenis van een woord niet genoeg is.

Bij het leren van woorden is het belangrijk dat kinderen nadenken en oefenen met meerdere contexten om ze te kunnen begrijpen.

Het woordje bomen is een mooi voorbeeld. Je hebt bomen in het bos. Die kun je visualiseren met een plaatje en elementen van gaan benoemen zoals takken, barst, blaadjes etc.

In een geschiedenisles kun je het hebben over het bomen van een schip, dan is het de stok waarmee je een boot voortduwt.

Als je met elkaar een boom op gaat zetten over wat het woord ‘bomen’ betekent dan is de betekenis figuurlijk. Je gaat met elkaar diep nadenken over mogelijke betekenissen.

 

3. Veel betekenissen van woorden worden vooral geleerd buiten de woordenschatles.

Betekenissen van woorden leren is een continu proces. We voegen steeds nieuwe elementen toe aan woorden. Dit gebeurt niet alleen op school, maar ook daarbuiten. Kijk bij het leren van de woorden verder dan alleen de gekozen woorden van de woordenschatles.

Dit betekent dat als je actief aan de slag wilt met woordenschat, je dit moet zien als het laten groeien van je kennis. Het is zaak om met de leerlingen de woorden te verzamelen die ze in een week geleerd hebben en ze te koppelen aan een thema of categorie.

Praktisch zou dit betekenen dat je kinderen wekelijks de nieuwe woorden op een kaartje laat schrijven. Deze ga je dan in categorieën ophangen in de klas. Is deze voldoende gevuld dan haal je de categorie van het bord. Je hebt dan een setje waar je later opnieuw een spelletje mee kan doen. Dit is een mooi oefenmoment om de betekenissen weer op te halen uit het geheugen en dat versterkt het leren.

Met deze uitgangspunten kun je het leren van woorden enorm vergroten. Woordenschatonderwijs zit dan verweven door de week met allerlei korte oefenomenten. Je  laat de kinderen de woorden zo goed inslijpen. Dit helpt enorm bij het begrijpend lezen in alle vakken.

Laat een reactie achter

* verplicht

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


Reacties (0)

Er zijn nog geen reacties